WETENSWAARDIGHEDEN
 
Afmeting in spanwijdte
8-9 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
vrij algemeen
Migrant?:
nee
 
HERKENBAARHEID
   
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Afname.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Corver, S.C. & Muus, T.S.T. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
November 1, 2009, 2:42 pm
Familie: Bucculatricidae, ooglapmotten
 
 
witte iepenooglapmot
Bucculatrix albedinella (Zeller, 1839)
 
Vliegtijddiagram
 
Er zijn momenteel geen extra afbeeldingen.
 

Bucculatrix albedinella in Nederland

vrij algemeen in Nederland. Minder algemeen dan de zeer verwante soort Bucculatrix ulmifoliae welke tevens op iep (Ulmus) voorkomt. B. ulmifoliae werd voor het eerst in Nederland ontdekt door Ellis, W.N. in 2007 naar aanleiding van het artikel van Langmaid, Porter & Collins (2007a) waarin voor het eerst duidelijk onderscheid tussen beide soorten werd gemaakt op basis van adult, genitexotisch/import, rups, pop en vraatspoor (Ellis, 2005a). Tot de publicatie van Langmaid et al (2007a) werden in Nederland B. albedinella en B. ulmifoliae als synoniem beschouwd en was al het Bucculatrix materiaal gedetermineerd als B. albedinella (Ellis, 2005a).

Herkenning

De voorvleugels zijn helder van kleur, soms bestoven met bruinige schubben. Kopbeharing wit. Vanaf 2/3 langs de voorrand van de voorvleugel een smalle band die tot in de apex (punt) loopt, aldaar mondt zij uit vlak voor de apex uit in een goed zichtbare zwarte vlek. Bij vale exemplaren is dit alsnog een goed kenmerk, dit ontbreekt bij B. frangutella. In het midden van de vleugel, langs de voorrand, daar ontstaat een zwarte vlek, zij is haakvormig, en loopt door tot in het midden. B. bechsteinella is bruiner, B. demaryella toont zeer nauwe overeenkomsten, het onderscheid is gemakkelijk bij verse exemplaren, deze soort mist namelijk de zwarte haakvlek langs de onderrand van de voorvleugel.

Levenswijze 'biologie'

De eieren worden meestal in de okselnerf aan de onderzijde van het blad gelegd. De larven mineren in de eerste stadia het blad en verlaten als ze half volgroeid zijn de mijn om het blad aan de buitenkant aan te vreten (Ellis, 2005a). De mijnen volgen niet vaak de bladrand maar slingeren los door het blad. De mijnen hebben vaak meerdere (2 tot 4) korte zijtakjes, welke niet gevuld zijn met uitwerpselen (Ellis, 2005a). Raadpleeg Ellis (2005a) voor een beschrijving van de vraatsporen, larve en pop en onderscheid met de vraatsporen van B. ulmifoliae op iep (Ulmus sp.).

De biologie van deze soort is uitgebreid beschreven op Bladmineerders.nl

Etymologie

Ooglapmot verwijst naar de verdikte antennebasis, die in rust over het oog valt. Te verwarren met oogklepmotten (= Opostegidae).

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

Iep (Ulmus sp.), ruwe iep (U. glabra) (Langmaid et al, 2005a; Ellis, 2005a)

 



 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.