HERKENBAARHEID
 
 
WETENSWAARDIGHEDEN
 
Nationale status
inheems
Algemeenheid statistiek
zeer zeldzaam
Algemeenheid (schatting)
-
Migrant?:
standvlinder
 
WANNEER VLIEGT DE VLINDER?
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Stabiel.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Corver, S.C. & Muus, T.S.T. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
November 1, 2009, 2:42 pm
Familie: Bucculatricidae, ooglapmotten
 
 
donkere iepenooglapmot
Bucculatrix ulmifoliae  (M. Hering, 1931)
 
Meer afbeeldingen:

Er zijn geen extra afbeeldingen.
U kunt deze aanbieden!
Verlaten gangmijn. (leg/det/foto: S. Corver, Zoetermeer, Prov. Zuid-Holland, 1.x.2007)
 
 

Bucculatrix ulmifoliae in Nederland

Van de twee Bucculatrix soorten die op iep Ulmus leven, zijnde B. ulmifoliae (Hering, 1931) en B. albedinella (Zeller, 1839) was tot voor kort alleen B. albedinella bekend uit Nederland. Echter, in 2006 ontdekten Langmaid, Porter & Collins (2007a) in de UK B. ulmifoliae als nieuw voor de fauna. In dit artikel wordt voor het eerst duidelijk onderscheid tussen beide soorten gegeven wat betreft vraatsporen, adult, pop, larve en genitexotisch/import. Het artikel was aanleiding om het Nederlandse mijnen materiaal van B. albedinella opnieuw te onderzoeken (Ellis, 2005a). Volgens Ellis bleek dat het merendeel van het collectiemateriaal uit B. ulmifoliae bestond. Op basis hiervan werd door Ellis (2005a) B. ulmifoliae in 2007 als nieuw voor de Nederlandse fauna beschreven. Volgens Ellis (2005a) komen daarom beide soorten voor in Nederland, maar is de nieuwe soort, B. ulmifoliae, duidelijk algemener dan B. albedinella.

Herkenning

De vlinders kennen een spanwijdte van 6-7 mm. De voorvleugel is zacht bruin van kleur, met een donkere vlek langs de onderrand van de voorvleugel, evenals een tweetal donkere banden die ontstaan langs de voorrand van de voorvleugel, de tweede band is het krachtigste en loopt tot bijna in de apex, aan het einde daarvan een zwarte stigmavlek. Deze bijna zwarte vlekken kunnen zo krachtig zijn, dat zij in elkaar over lijken te gaan. De kopbeharing is overwegend bruinwittig, of krachtiger oranje. Zij is zeer gelijkend aan B. ulmella, hoewel deze soort meer oranje gekleurd is, en de donkere vlekken krachtiger aanwezig zijn; contrastrijker. Kopbeharing bij deze soort ook altijd veel sterker oranje. B. albedinella is een grotere soort, lichter van kleur, met de haakvormige zwarte vlek langs de onderrand van de voorvleugel, bij B. bechsteinella zijn dit slechts een paar zwarte schubben.

Levenswijze 'biologie'

De eieren worden meestal in de okselnerf aan de onderzijde van het blad gelegd. De larven mineren in de eerste stadia het blad en verlaten als ze half volgroeid zijn de mijn om het blad aan de buitenkant aan te vreten (Ellis, 2005a). De mijnen volgen vaak de bladrand en buigen, vlak voordat de larve de mijn verlaat, van de bladrand af (Ellis, 2005a). Raadpleeg Ellis (2005a), de Website Nederlandse bladmineerders voor beschrijving van de vraatsporen, larve en pop en onderscheid met de vraatsporen van B. albedinella op iep (Ulmus sp.).

De biologie van deze soort is uitgebreid beschreven op Bladmineerders.nl

Etymologie

Ooglapmot verwijst naar de verdikte antennebasis, die in rust over het oog valt. Te verwarren met oogklepmotten (= Opostegidae).

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

Iep (Ulmus) (Langmaid et al., 2007a; Ellis, 2005a).

 
VERSPREIDING

Bekijk eerdere periodes...


 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.