Valkruidmineermot: op rand van uitsterven

Gepubliceerd op 27 november 2017 door Ben van As & Tymo Muus
 

De valkruidmineermot (foto: Ingemar Andersson)

De zeldzame valkruidmineermot en zijn zeldzame waardplant
De valkruidmineermot (Digitivalva arnicella) behoort tot een groep microvlinders die als gevolg van hun levenswijze onder de naam “Bladmineerders” bekend staan. Deze naam kreeg een aantal vlindersoorten -maar ook ander insecten kunnen zo leven- als gevolg van hun levenswijze. Het betreffen insecten uit verschillende (onder)ordes en families. In het geval van de valkruidmineermot is de bladmijn een aanvankelijk smalle, zich later verbredende gang in het blad. De valkruidmineermot is sterk gebonden aan het valkruid (Arnica montana) (ook wel: wolverlei)  en leeft alleen op valkruid en geen enkele andere plantensoort. De vlinder is tegenwoordig een zeer zeldzame Nederlandse microvlindersoort die buiten Drenthe nergens anders meer in ons land voorkomt. Rond de Tweede Wereldoorlog kwam valkruid nog op meer plaatsen voor en werd de valkruidmineermot op meer plaatsen in Drenthe en zelfs op de Veluwe waargenomen.

Het valkruid is een bij veel mensen sterk tot de verbeelding sprekende plantensoort; enerzijds vanwege zijn fraaie bloemen en anderzijds vanwege de geneeskrachtige werking die er aan toegeschreven wordt. Echter, deze ooit op de hogere zandgronden algemene plantensoort is zeer sterk achteruit gegaan en één van de er op levende insecten, de valkruidmineermot zelfs nog harder. In de jaren '90 waren er nog enkele vindplaatsen over. De vrees dat de soort zou verdwijnen was toen al groot.


Jonge mijnen van de valkruidmineermot op valkruid (foto: Jonas Waglind)

Bijna uitgestorven!
In 2016 heeft bladmineerder specialist Ben van As onderzoek gedaan naar de huidige populaties van de valkruidmineermot in Drenthe. Een bekend artikel over deze soort, uit de jaren '90, was hierin leidend. De titel van het artikel is:
“De Valkruidmineervlinder Digitivalva arnicella in Nederland: Herontdekking en Behoud (Lepidoptera: Pluellidae: Acrolepiinae)” auteurs: Erik van Nieukerken & Sjaak Koster (zie: http://www.repository.naturalis.nl/document/41449).
In dit artikel worden een achttal vindplaatsen van valkruidmineermot onder de loep genomen. In 1998 werd al vastgesteld dat op twee van deze vindplaatsen populaties van de vlinder verdwenen waren.

Ben ontving de lijst met precieze vindplaatsen inclusief de coördinaten. Al deze gebieden heeft hij nadien bezocht. Het was zijn bedoeling om te zien hoe het met deze vlindersoort (en ook zijn waardplant) in de jaren daarna is vergaan.

Ben bezocht tien groeiplaatsen met valkruid. Op een drietal vindplaatsen was valkruid volledig verdwenen. Waar vroeger nog vele tientallen mijnen gevonden werden op het Buinerveld werd geen enkele mijn gevonden. De soort is hier verdwenen. Een andere talrijke locatie lag bij Oudemolen: waar ooit een kleine honderdtal mijnen gevonden werden, was geen enkel vraatspoor meer te vinden. Verder nog te noemen: Tynaarlo. Langs het spoor werd al weinig gedaan om valkruid te beschermen, veelal door een rigoureus maaibeleid. Het maaibeleid is veranderd maar daarentegen is een groot deel van de valkruidpopulatie overwoekerd door pijpenstrootje. Er werden vijf mijnen gevonden met allen dode rupsen er in. Zelfs als het beleid zou veranderen, dan is de vraag of deze locatie levensvatbaar is voor de valkruidmineermot.

De enige levensvatbare populatie ligt nabij Gasselte en kende in 1998 meer dan 500 mijnen. Momenteel waren dat er nog maar 26 tijdens het bezoek van Ben. De noodklok dient geluid te worden voor deze soort, die binnen aanzienlijke tijd zou kunnen uitsterven. De micro past als het ware in het rijtje met de kleine heivlinder en het veenbesblauwtje.


Valkruid in Drenthe (foto: Peter Meiniger)

Beheer
Behalve de aanwezigheid van de waardplant is het voor de vlinder zeer belangrijk hoe deze planten beheerd worden. Indien de vegetatie waarin de plant voorkomt bijvoorbeeld in augustus/september gemaaid of gebrand wordt, wordt een groot deel van de rupsen, die dan in de bladeren zitten gedood. De planten kunnen dan wel meer licht krijgen en opnieuw uitgroeien, maar de vlinderpopulatie heeft dan een enorme opduvel gekregen. Onderhoud aan de vegetaties moet dus bij voorkeur in de wintermaanden –als de planten bovengronds zijn afgestorven- gebeuren, wil men deze vlindersoort behouden (de rups verblijft waarschijnlijk in het hart van de plant, of de wortels, al is dat niet precies bekend). Voor een goed beheer van het leefgebied voor deze vlinder  wordt verwezen naar de pagina’s 23 & 24 van bovenstaand artikel waarin de door van Nieukerken & Koster genoemde beheersadviezen staan.


Categorie: Faunistiek | Terug naar nieuwsoverzicht | Ouder | 


 
 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.