HERKENBAARHEID
 
 
WETENSWAARDIGHEDEN
 
Nationale status
inheems
Algemeenheid statistiek
extreem zeldzaam
Algemeenheid (schatting)
-
Migrant?:
standvlinder
 
WANNEER VLIEGT DE VLINDER?
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Mogelijk honkvast, onlangs herontdekt in ons land.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Koster, J.C. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
June 3, 2012, 4:26 pm
Familie: Momphidae, wilgenroosjesmotten (subfamilie ')
 
 
zwarte heksenkruidmot
Mompha langiella  (Hubner, 1796)
 
Meer afbeeldingen:

Vlinder (leg/det/foto: G. van de Maat, Brunssumerheide, Prov. Zuid-Limburg, 17.vii.2014)
 
 

Mompha langiella in Nederland

De soort is zeer zeldzaam in Nederland. Lange tijd was er slechts een enkel exemplaar bekend dat op 21 mei 1927 te Den Haag was gevangen en daarna werd de soort als uitgestorven beschouwd. Uit een doosje met Mompha-materiaal van de collectie Van Aartsen bleek zich echter nog een exemplaar te bevinden dat op 14 juni 1972 werd gevangen te Kunrade in Zuid-Limburg. In 2008 werd de soort door Muus ontdekt te Susteren (Li.), hier werd het eerste Nederlandse mijnenmateriaal verzameld. Ook noordelijker in deze provincie vond mevr. Barendtzsen een exemplaar te Leudal (2012), zie afbeelding. Voorkomen in schaduwrijke bossen met een ondergroei van groot heksenkruid.

Herkenning

De vlinders kennen een spanwijdte van 10-11 mm. De vlinder vliegt in een generatie van augustus tot april en overwinterd. Voorvleugels zwartbruin met een purperen weerschijn met voorbij het midden een grote witte vlek. Vaak in de vouw op een derde nog een paar witte schubben en soms ook een aantal verstrooide witte schubben rond de vleugelpunt. Dit maakt dat de soort gemakkelijk te onderscheiden is van de andere soorten van het geslacht Mompha.

Levenswijze 'biologie'

De larve is lichtgeel met groene buikmerg. Kop lichtbruin, naar de monddelen toe donkerder, nekschild donkerbruin en gedeeld in het midden, borstpoten en anaalschild lichtbruin. De larve mineert in de bladeren in juni en juli. De groenachtig-witte mijn begint als een gangmijn met onregelmatige windingen, vaak in combinatie met kleine plaatmijnen, maar al spoedig verandert het geheel in een grote plaatmijn. De uitwerpselen liggen eerst in een brede onregelmatige lijn, later verstrooid. Soms meerdere larven in een mijn die het gehele blad in beslag kan nemen. De pop ligt in juli en augustus in een witte tot lichtgele cocon op een blad of aan de grond, een enkele keer ook in de mijn.

De biologie van deze soort is uitgebreid beschreven op Bladmineerders.nl

Etymologie

Geen nadere verklaring vereist.

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

Groot heksenkruid (Circaea lutetiana). In Engeland ook gevonden op harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), bergbasterdwederik (E. montanum), viltige basterdwederik (E. parviflorum) en wilgenroosje (Chamerion angustifolium).

 
VERSPREIDING

Bekijk eerdere periodes...



 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.