WETENSWAARDIGHEDEN
 
Afmeting in spanwijdte
7-8 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
zeer zeldzaam
Migrant?:
nee
 
HERKENBAARHEID
   
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Licht achteruit gegaan.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Corver, S.C. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
July 1, 2017, 11:18 am
Familie: Elachistidae, grasmineermotten
 
 
gezaagde zeggemineermot
Elachista serricornis (Stainton, 1854)
 
Vliegtijddiagram
Vlinder (leg/det/foto: S. Corver, Affoltern Am Albis ZH., Zwitserland, vii.2008)
 
 

Elachista serricornis in Nederland

Zeldzaam in Nederland. Slechts enkele waarnemingen bekend. In Nederland komt de soort voor op natte heide-, hoogveen gebieden en zandgronden (duinen) waar veenpluis (Eriophorum angustifolium) of eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum) groeit. In Nederland is de waardplant nog niet definitief vastgesteld maar op de vindplaats van deze soort in het Zwanenwater, Noord-Holland is veenpluis (Eriophorum angustifolium) aanwezig (pers. med. Sjaak Koster).

Volgens Traugott-Olsen & Schmidt Nielsen (1977) zou de soort ook voorkomen in vochtige beukenbossen met als voornaamste waardplant Carex spec, voornamelijk boszegge (Carex sylvatica), maar dit is waarschijnlijk onjuist en voert terug op verwarring met E. freyi (Buhl et al, 1991; Heckford, 1999b, Kaila & Varalda, 2004a), een oud synoniem van E. occidentalis welke nu tot het E. juliensis complex behoort (Kaila & Varalda, 2004a).

Herkenning

De soort kan vooral herkend worden aan de gezaagde antennae bij het mannetje, waaraan de soort zijn naam dankt: serrate betekent gezaagd. De wijfjes hebben mogelijk een minder gezaagde antennae (oa Traugott-Olsen & Schmidt Nielsen, 1977a).

Let op: Mogelijk wordt in Bland (1996a) bij E. serricornis het vrouwelijk genitaal van E. occidentalis afgebeeld.

Levenswijze 'biologie'

De larve mineert in de stengel van Eriophorum sp. (Buhl et al, 1991; Heckford, 1999b, Kaila & Varalda, 2004). Mogelijk maak de jonge larve in de herfst een dunne begin mijn, waarna hij in de lente een nieuwe mijn begint onderaan in de wortelstam. De larve mineert dan van onder naar boven en maakt uiteindelijk verbrede zig-zagmijn in het onderste deel van de stengel (Heckford, 1999b). Mogelijk zou de larve in het laatste stadium buiten de mijn vreten, tussen de stengel en de bladschede onderin de plant (Heckford, 1999b). De aangetaste stengels krijgen rondom de mijn een paarsachtige gloed.

De biologie van deze soort is uitgebreid beschreven op Bladmineerders.nl

Etymologie

Geen nadere uitleg vereist.

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

De soort leeft op Eriophorum spp. Inmiddels is de soort definitief gekweekt van eenarig wollegras Eriophorum vaginatum (Buhl et al, 1991) en veenpluis (Eriophorum angustifolium) (Heckford, 1999b). Zie ook Kaila & Varalda (2004a).

 



 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.