MUSEUMEXEMPLAAR

 
FEITEN
 
Afmeting in spanwijdte
8-10 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
vrij zeldzaam
Migrant?:
nee
Herkenbaarheid
 
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Stabiel.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Instructies? klik hier!
 
AUTEUR(S)
 
Corver, S.C.
 
LAATSTE AANPASSING
 
July 26, 2010, 12:52 pm
Familie: Elachistidae, grasmineermotten
 
 
duinrietmineermot
Elachista bisulcella (Duponchel, 1843)
 
Vliegtijddiagram
Vlinder (leg/det/foto: A. Wijker, Wimmenummerduinen, Prov. Noord-Holland, 13.vi.2010)
 
Er zijn momenteel geen extra afbeeldingen.
 

Elachista bisulcella in Nederland

De soort komt in Nederland vooral voor in de duinen, waarbij de soort voorkeur heeft voor vochtige plaatsen zoals vochtige duinvalleien en natte duinbossen. De soort wordt ook wel in het binnenland aangetroffen, maar ook daar in vochtige gebieden, bij plassen en meren.

Herkenning

Gelijkende soorten: Soorten uit de unifasciella groep (Traugott-Olsen & Schmidt Nielsen (1977).

De adult vliegt eind juni, als eerste kleine generatie uit de overwinterende rupsen en opnieuw in een grote generatie in augustus, waarvan de rupsen weer overwinteren.

Levenswijze 'biologie'

De larve maakt een langgerekte geheel doorschijnende witte gangmijn, meestal beginnend vanaf de bladpunt. De larve mineert richting bladbasis. De mijn heeft een blaasachtig, gezwollen uiterlijk, en trekt licht samen, zodat het blad wat is vernauwd. Vooral in de eerste helft, waar het blad smaller is, neemt de mijn de volledige breedte van het blad in. Zodra het blad breder wordt worden de zijkanten van het blad vrijgelaten. In het begin van de mijn liggen de uitwerpselen gelijkmatig verdeeld, echter in de tweede helft worden de uitwerpselen in een aantal langgerekte klompen verzameld. De larve loopt om die reden regelmatig achteruit om uitwerpselen af te zetten.

De larve is donkergrijs-groen, met een blauwig omrandde gelige rugstreep, die vooral bij de voorste segmenten opvalt. De larve heeft een een roodbruine kop en donkerbruine belijning. De prothorax bestaat uit twee gescheiden donkergrijs-zwarte platen. Het anale segment is lichtbruin.

De larve is te vinden vanaf eind augustus-september, overwinterend tot ongeveer eind mei en opnieuw in juli. (observatie: S. Corver, Nederland, in tegenstelling tot literatuur)



De biologie van deze soort is uitgebreid beschreven op Bladmineerders.nl

Waardplanten of voedsel

Ruwe smele (Deschampsia caespitosa), boskortsteel (Brachypodium sylvaticum), duinriet (Calamagrostis epigejos) en zegge (Carex sp.) (Traugott-Olsen & Schmidt Nielsen, 1977). In de UK is de soort daarnaast met zekerheid vastgesteld op rietzwenkgras (Festuca arundinacea) (Heckford, 1985).





 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.