MUSEUMEXEMPLAAR

 
FEITEN
 
Afmeting in spanwijdte
9-12 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
algemeen
Migrant?:
nee
Herkenbaarheid
 
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Stabiel.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Instructies? klik hier!
 
AUTEUR(S)
 
Muus, T.S.T.
 
LAATSTE AANPASSING
 
July 23, 2011, 11:35 pm
Familie: Oecophoridae, sikkelmotten (subfamilie Oecophorinae)
 
 
dwergsikkelmot
Borkhausenia fuscescens (Haworth, 1828)
 
Vliegtijddiagram
Vlinder (leg/det/foto: A. den Ouden, Grave, Prov. Noord-Brabant, 27.vi.2009)
 
 

Borkhausenia fuscescens in Nederland

Deze mogelijk van oorsprong voorraadsoort komt voor op plaatsen met bosbouw, akkers en stedelijk gebied. Soms worden de vlinders wel binnenshuis gezien. Wijdverbreid en in veel gevallen gewoon, soms talrijk.

Herkenning

Deze kleine Oecophoride vliegt in de zomerperiode, vanaf eind juni tot in augustus en komt in de avond goed op licht. De voorvleugels zijn bruinig grijs, met een drietal duidelijke donkere vlekken. Franje vuilgrijs. Ondervleugels eveneens wat vuilgrijs en puntig uitlopend. De soort is goed herkenbaar maar kan verwisseld worden met een drietal andere soorten. B. luridicomella heeft wat lichtere voorvleugels, wat vuil grijsbruin met een opvallende gelige kopbeharing. B. nefrax werd sinds enige tijd terug herkend tussen het Borkhausenia-materiaal in collecties, deze soort kan het beste onderscheiden worden aan de hand van de genitalia. Toch heeft deze soort een ander uiterlijk, met een spanwijdte van 10-15 mm is deze soms net wat groter dan B. fuscescens, maar de ondervleugels zijn doorslaggevend. De grondkleur van de vleugels zijn wittig met een wat zilveren tot zelfs wat blauwe weerschijn, bij B. fuscescens dof tot bestoven grijs. Ook is verwarring mogelijk met Hofmannophila pseudospretella. Naast dat de vlekken duidelijker en breder zijn, haalt B. fuscescens nooit een dergelijk grote spanwijdte.

Levenswijze 'biologie'

De rups leeft van oktober tot na de overwintering in april-mei, in kleine samengesponnen kokers bestaande uit vastgesponnen bladdelen en uitwerpselen. Zij zijn naar Harper et al. (2002a) wel gevonden vretend op bladeren van verscheidene struiken en bomen. Ook werden vlinders gekweekt uit vogelnesten en vergaande conifeerresten.
De rupsen worden 9 mm in lengte met een honingkleurige kop, het nekschild is bleek van kleur. Het lichaam is vuilwit, pinacula lichtgrijs, anaal schild erg vaag gelig. De poten hebben geen andere kleur dan het lichaam (Heckford, 1999a).

Waardplanten of voedsel

Op rottende delen van hout, afgevallen blad, vogelnesten en ook planten zoals gegeven door Heckford (1999a) eik (Quercus spp.), klimop (Hedera helix), hulst (Ilex aquifolium) en cypres (Chamaecyparis sp.).




 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.