WETENSWAARDIGHEDEN
 
Afmeting in spanwijdte
23-26 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
zeldzaam
Migrant?:
nee
 
HERKENBAARHEID
   
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Stabiel; al lijkt de soort soms iets toe te nemen.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Muus, T.S.T. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
August 4, 2017, 6:06 pm
Familie: Depressariidae, platlijfjes (subfamilie Depressariinae)
 
 
tienvlekmot
Luquetia lobella (Denis & Schiffermueller, 1775)
 
Vliegtijddiagram
Vlinder (leg/det/foto: T. Muus, Epen, prov. Limburg, 19.vi.2015)
 
 

Luquetia lobella in Nederland

De soort is ongewoon en zij kent vooral een beperkte bespreiding over ons land. In de 20e eeuw werd al genoemd dat de soort zich zowaar beperkt tot de zandgronden in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, met slechts twee vindplaatsen uit de duinen bij Egmond en Bakkum (Kuchlein & Donner, 1993a; Huisman & Koster, 1997a, 1998a). Hierna volgde een zuidwestelijke waarneming uit Gapinge (Walcheren, Zeeland) (Huisman & Koster, 2000a). Echter werd de soort naar Huisman & Koster (1997a) in 1993 ook te Hemrik in Friesland waargenomen, de meest noordelijke waarneming tot dusver (Huisman & Koster, 1997a). Hierna volgende nog noordelijkere vondsten. De soort werd in 2007 ook vastgesteld te Opende in Groningen en in Beetsterzwaag in 2008.

Herkenning

De vlinders vliegen kort, hoofdzakelijk in juni. Ze worden gemakkelijk gevangen op licht, maar zijn ook opvallend in onstabiele vluchten waar te nemen in de schemering. De soort heeft voorkeur voor struwelen bestaande uit soorten Prunus, doorgaans vaak P. spinosa (sleedoorn). Op deze plekken kan de soort soms talrijk zijn, en net als de uitbreiding van andere soorten op sleedoorn (als waaronder Lyonetia prunifoliella Hbn. en Conistra rubiginosa Scopoli) lijkt ook L. lobella zich langzamerhand elders in nieuwe gebieden te laten zien.
De vlinders zijn gemakkelijk te herkennen aan de opvallend lange palpen, de vleugels zijn grijs en voorzien van een tweetal uitstulpende kwasten op de eerste helft van de voorvleugel.

Levenswijze 'biologie'

De rups leeft in het najaar, van half juli tot aan begin oktober. Ze leven in spinsels op de bladeren, waarbij het blad naar onderen is ingerold. De rups verpopt in de grond (Palm, 1989a).
Het lichaam van de rups is helder groen, met wittige rugstreep vanaf het derde segment, het nekschild is voorzien van twee zwarte vlekken (Palm, 1989a).

Etymologie

Platlijf verwijst naar de in rust neergelegen vleugels.

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

De rupsen leven voornamelijk op sleedoorn (Prunus spinosa), meidoorn (Crataegus) en lijsterbes (Sorbus) (Palm, 1989a). In Huisman et al. (1986a) geeft men aan dat de soort op verschillende fruitbomen zou leven, waarschijnlijk is deze waardplantenkeuze wat beperkter.

 



 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.