WETENSWAARDIGHEDEN
 
Afmeting in spanwijdte
11-14 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
vrij algemeen
Migrant?:
nee
 
HERKENBAARHEID
   
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Stabiel.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Muus, T.S.T. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
November 1, 2009, 2:35 pm
Familie: Psychidae, zakdragers (subfamilie Psychinae)
 
 
sierlijke zakdrager
Proutia betulina (Zeller, 1839)
 
Vliegtijddiagram
Adult, mannetje ex. larva (leg/foto: T. Muus, Beetsterzwaag, Prov. Friesland, iv.2007)
 
 

Proutia betulina in Nederland

Een vrij algemene soort. De voormalige verspreiding doet vermoeden dat de soort opmerkelijk weinig is waargenomen in het noorden van ons land, toch is door gericht zoeken duidelijk geworden dat dit een verkeerd beeld betrof. Normaliter kan de soort talrijk zijn, verspreid over het hele land. De zakjes kunnen overal gevonden worden op bomen (de soort is vooral gebonden aan eik Quercus spp.) met een voorkeur op drogere plekken op heiden, in dichtere bossen waar vaak o.a. ook bosbes aanwezig is, in bosrijke gebieden in de duinen.

Herkenning

Adult kan overdag opgejaagd worden, maar komt in de nacht ook op licht. De adulten zijn gevleugeld, vrouwelijke exemplaren met gereduceerde vleugels komen ook veel voor. Hermann (1994a) geeft aan dat de vrouwelijke exemplaren ongevleugeld zijn. Deze vrouwelijke vlinders lijken erg op vrouwelijke exemplaren van Psyche casta. De vliegtijd loopt van mei tot in juli.

Levenswijze 'biologie'

De rupsen leven van juli (Hättenschwiler, 1985a noemt augustus), tot na de overwintering, juni. De zakjes zijn goed te herkennen en zij zijn kleiner dan de zakken van soorten als Sterrhopterix fusca en Pachythelia villosella. Een kleinere soort, Bacotia claustrella, heeft een meer afgeplatte zak en deze staan tamelijk rechtop, terwijl bij P. betulina de zak vrij vlak of schuin tegen het substraat bevestigd is. De materialen bestaan voornamelijk uit bladdelen van eik en kleine grasdelen, met aan de basis een soort kleine schubvormige bekleding. De totale lengte van de zak is 8-10 mm in de lengte, de breedte is 2,5-3 mm) (Hättenschwiler, 1985a). De zakjes worden vooral in juni veel aangetroffen wanneer deze vlak voor de verpopping rondkruipen en daarbij laten ze zich gemakkelijk zien op bijv. palen.

De rupsen hebben een zwarte kop met een smaller nekschild. Thoraxsegmenten twee en drie zijn zwart van kleur. Het lichaam is paarsig-bruin (Hättenschwiler, 1985a).

Etymologie

Daar er talloze voorwerpen worden vastgesponnen op de larvale zak, oogt het uiterlijk versierd.

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

Algen en plantaardige voedselresten, vooral op eiken (Quercus spp.) maar ook andere loofbomen.

 




 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.