WETENSWAARDIGHEDEN
 
Afmeting in spanwijdte
7-8 mm
Nationale status
inheems
Voorkomen:
algemeen
Migrant?:
nee
 
HERKENBAARHEID
   
 
TOE- OF AFNAME (TREND)
 
Stabiel.
 
RECENTE VONDSTEN
 
Kaarten op Waarneming.nl
 
FOTO AANBIEDEN
 
Hoe kan ik bijdragen?
 
AUTEUR(S)
 
Muus, T.S.T. & Corver, S.C. | Bronnen
 
LAATSTE AANPASSING
 
November 1, 2009, 2:41 pm
Familie: Bucculatricidae, ooglapmotten
 
 
vuilboomooglapmot
Bucculatrix frangutella (Goeze, 1783)
 
Vliegtijddiagram
Vlinder (leg/foto: W. Bakker, det. S. Corver, Buurse, Bramerveld, Prov. Overijssel, 28.v.2009)
 
 

Bucculatrix frangutella in Nederland

Algemeen in Nederland. De soort is vrijwel overal aan te treffen waar de waardplant (Rhamnus sp.) groeit. De larven en gangmijnen kunnen gemakkelijk worden gevonden, de adulten worden opmerkelijk minder gezien.

Herkenning

De soort vliegt in twee generaties, van mei-juni en opnieuw in juli-augustus. Soms een kleine derde generatie in oktober.

De adult is bijna sneeuwwit van kleur, met opvallende witte oogkleppen en kopbeharing. In het midden aan de voor- of bovenrand van de voorvleugel ontstaan twee helder bruine banden die tot het midden lopen, daar komt zij in aanraking met een individuele band die vanaf de voorvleugelonderrand loopt. De zone rondom de vleugelpunt is op dezelfde manier bruin bestoven. Franje met zwarte lijnen. De soort onderscheidt zich van andere soorten door de grote zwarte vlek, tot bijna een schubbenpuist, in het midden van de vleugel, tegen de onderrand van de voorvleugel. Deze ontbreekt bij B. demaryella, bij B. albedinella is zij heel groot en haakvormig, B. bechsteinella is overwegend bruin bestoven en niet wit aan de basis.

Levenswijze 'biologie'

De soort is monofaag op Rhamnaceae. Bezette gangmijnen zijn te vinden van juli tot in november (Ellis, 2005a). Het ei wordt aan de onderzijde van het blad gelegd. De gangmijn kenmerkt zich als een sterk gespiraliseerd gangmijntje, welke volledig met uitwerpselen is gevuld. De gangmijn buigt pas af, vlak voordat de larve aan de onderzijde van het blad de mijn verlaat. Na het verlaten van de mijn leven de larven vrij en veroorzaken venstervraat (Ellis, 2005a). Voor een uitgebreide beschrijving van de vraatsporen en de larve, zie Ellis (2005a). De verpopping vindt plaats in een witte, rib-achtige cocon.

De biologie van deze soort is uitgebreid beschreven op Bladmineerders.nl

Etymologie

Ooglapmot verwijst naar de verdikte antennebasis, die in rust over het oog valt. Te verwarren met oogklepmotten (= Opostegidae).

Waardplanten of voedsel Voor referenties, zie linkermenu "Bronnen"

Sporkehout (Frangula alnus) en wegedoorn (Rhamnus catharticus) (Emmet, 1985a). Volgens Ellis (2005a) is de soort monofaag op Rhamnaceae.

 



 
 
  © All content copyright www.microlepidoptera.nl and allied photographers.